← Alle projecten

Dakopbouwenbeleid

Toelichting beleidsregels dakopbouwen

Gevonden adres
onbekend
Locatie
onbekend
Coördinaten
onbekend

Vergaderingen (1)

  1. 18 feb. 2025

    Verslag, pagina 6

    Toelichting beleidsregels dakopbouwen

    Samenvatting door AI

    Toelichting op de beleidsregels dakopbouwen die een afwegingskader bieden voor vergunningen. De commissie bespreekt de bruikbaarheid, de toetsing op ruimtelijke aspecten, het onderscheid tussen ontworpen en organisch gegroeide ensembles, en het 'Ja, mits-principe'.

    Conclusie: Het document is binnen de bestuurlijke opdracht goed bruikbaar en zorgt voor meer inzicht in de beoordeling; de commissie raadt aan de regels in de praktijk te testen en werkenderwijs tot oplossingen te komen.

    Brontekst
    4. Dakopbouwenbeleid CvB Toelichting : Baukje Coppens (gemeente Utrecht) Aanwezig : Joris van Haaften en Maria van Hoogendijk (gemeente Utrecht) Gespreksverslag Mevrouw Coppens is in de vergadering aanwezig om de ‘beleidsregels dakopbouwen’ aan de commissie toe te lichten. De beleidsregels bieden een afwegingskader voor de beoordeling van aanvragen voor dakopbouwen. In het kader zijn 6 ruimtelijke aspecten benoemd die een rol spelen in de afweging voor het wel of niet toekennen van een dakopbouw. De gemeente heeft een positieve basishouding ten aanzien van dakopbouwen en verleent tussen de 100 en 250 vergunningen per jaar. 75 - 80% van de aanvragen wordt vergund. Het college streeft met de beleidsregels geen substantiële verruiming of inperking van de mogelijkheden voor dakopbouwen na, maar staat dakopbouwen toe waar het kán. Daarom is de verwachting dat de beleidsregels over dakopbouwen met name voor meer inzicht in de afweging zorgt en niet per definitie leidt tot substantieel meer of minder vergunningen voor dakopbouwen. De regels zijn tot stand gekomen in een samenwerkingsverband tussen verschillende disciplines en afdelingen (Stedenbouw, Omgevingsrecht en VTH). Het maakproces heeft geholpen om meer integraal naar opgaven te kijken (ruimtelijk, juridisch en esthetisch). Aangegeven wordt dat er nu geen regels zijn en dat het winst is dat er met de vaststelling van de regels inzicht is in de afwegingsaspecten. Gevraagd wordt of er herkenning is in de ruimtelijke aspecten en of de regels voldoende voorspellende waarde hebben. De commissie reageert als volgt:  Binnen de bestuurlijke opdracht (het inzichtelijk maken van de bestaande werkwijze) is het document goed bruikbaar. De ruimtelijke aspecten waaraan getoetst wordt zijn vanzelfsprekend in dergelijke opgaven. Daarnaast zit er een logica in om aan te sluiten op eerder vergunde (en/of gerealiseerde trendzetters). Het is positief dat er met de regels meer inzicht komt in de beoordeling van initiatieven.  De commissie vraagt of er een volgordelijkheid is in de toets op de ruimtelijke aspecten. Aangegeven wordt dat elk aspect doorslaggevend kan zijn, maar dat de bestaande dakvorm de discussie richt. Daar waar van origine tweelaagse bebouwing aanwezig is met een plat dak komen dakopbouwen al veelvuldig voor. Deze typologie leent zich doorgaans goed voor het toevoegen van een dakopbouw. De commissie deelt het uitgangspunt dat bij ‘gave’ bebouwing (bijvoorbeeld de karakteristieke kapvormen uit de jaren ’30) behoud van de architectonische – en stedenbouwkundige samenhang een goed uitgangspunt is en dat in die situaties in de regel alleen dakkapellen worden toegestaan. Bij de flauwe kappen is inderdaad ‘maatwerk’ het uitgangspunt waarbij er gewaakt moet worden voor al te ‘gekunstelde’ oplossingen. Niet elk straat- en bebouwingsbeeld hoeft 1:1 behouden te worden. Vakgebieden groeien naar elkaar toe en de commissie vraagt wie beoordeelt of iets en (behoudenswaardig) ensemble is. Dit vraagt afstemming tussen de verschillende adviseurs.  De commissie wijst op het verschil tussen ontworpen ensembles en organisch gegroeide ensembles. Het zou goed zijn om in de afweging daarmee rekening te houden. Aangegeven wordt dat er bij de lintbebouwing vaak goede doorgroeimogelijkheden zijn.  Een stad leeft en dat mag ook zichtbaar zijn in de bebouwing en in de verschillende tijdlagen. Ingrepen kunnen immers ook een aangenaam effect voor de stad hebben. Hiervoor moet ruimte blijven en in die zin raadt de commissie aan welwillend volgens het ‘Ja, mits-principe’ te blijven beoordelen. Excessen en echt ongewenste zaken moeten uiteraard worden voorkomen. De commissie denkt graag mee zodra er dilemma’s zijn.  Gevraagd wordt of er bij een collectieve aanpak meer mogelijkheden ontstaan. Daarvan zijn goede voorbeelden bekend in andere steden. Aangegeven wordt dat aangestuurd wordt op goed ontworpen trendzetters die de potentie hebben om bij herhaling tot een kwalitatief ieuw bebouwingsbeeld te leiden, maar dat het in de praktijk lastig blijkt om collectieve (complexgewijze) initiatieven te realiseren. De commissie is vrij laat aangehaakt in het maakproces van de regels en ze zou graag, als daartoe een keer aanleiding is, doorpraten over stedelijke thema’s die hierin een rol spelen. Bijvoorbeeld vanuit duurzaamheidsoptiek over de toekomstbestendigheid van woningen, vanuit stedenbouwoptiek bijvoorbeeld over het optoppen van complexen en het toevoegen van woningen (valt nu buiten de scope van de opdracht). Ze raadt aan de regels te testen in de praktijk en daar waar discussie is werkenderwijs tot oplossingen te komen.
    Kenmerk (deze vergadering)
    geen
    Verwijzing naar eerdere vergadering
    onbekend
    Brondocument
    https://welstandutrecht.nl/documenten/1475